OP DIT MOMENT ACCEPTEREN WIJ UITSLUITEND ZAKEN OP BASIS VAN UURTARIEF

Het samenplaatsen van broers en zussen bij een uithuisplaatsing

Een uithuisplaatsing is een ingrijpende gebeurtenis voor een kind omdat het gedwongen van zijn ouders wordt gescheiden en ergens anders gaat wonen.  Voor sommige kinderen brengt een  uithuisplaatsing ook met zich mee dat ze van hun broers en zussen worden gescheiden, omdat deze thuis blijven wonen of in een ander pleeggezin, gezinshuis of jeugdhulpinstelling worden geplaatst. Uit een onderzoek van het WODC blijkt dat samenplaatsing niet vanzelfsprekend is en broers en zussen in 28 procent van de onderzochte gevallen niet samengeplaatst worden. In gezinnen met drie kinderen wordt 43 procent van de onderzochte gevallen niet samengeplaatst en bij vier of meer kinderen ligt dat op 77 procent. Maar hoe zit dit eigenlijk juridisch: mogen broers en zussen zomaar van elkaar worden gescheiden bij een uithuisplaatsing?

Internationaal recht

Een gescheiden plaatsing van broers en zussen is op grond van internationale kinder- en mensenrechten alleen toegestaan als daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Broers en zussen hebben op grond van artikel 8 EVRM en 16 IVRK namelijk recht op bescherming van hun familie- en gezinsleven. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de zaak Olsson tegen Zweden erkent dat broers en zussen familie- en gezinsleven met elkaar hebben en ook recht hebben op bescherming hiervan. Een scheiding van broers en zussen bij een uithuisplaatsing is slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Volgens het EHRM hebben staten een positieve verplichting om bij een uithuisplaatsing te waarborgen dat ouders en kinderen goed contact met elkaar hebben en dat kinderen waar mogelijk samengeplaatst worden met broers en zussen. Daarnaast mogen praktische belemmeringen, zoals een tekort aan pleeggezinnen, bij de uitvoering van een machtiging tot uithuisplaatsing slechts een ondergeschikte rol spelen.

Uit de Guidelines for the Alternative Care of Children volgt dat broers en zussen bij een uithuisplaatsing alleen apart van elkaar mogen worden geplaatst als samenplaatsing een duidelijk risico op misbruik met zich meebrengt of het de belangen van de broers en zussen schaadt.  In de Guidelines wordt een groot belang aan de band tussen broers en zussen gehecht. Zo volgt uit de Guidelines dat broers en zussen het contact met elkaar moeten onderhouden, tenzij dat niet in hun belang is.  De Guidelines hebben daarnaast een voorkeur voor het plaatsen van een kind in een gezinsvervangende omgeving, maar hier kan vanaf geweken worden als dat de mogelijkheid biedt om broers en zussen samen te plaatsen.

Huidige nationale wetgeving

De huidige nationale wetgeving gaat niet in op het samenplaatsen van broers en zussen bij een uithuisplaatsing. Dit uitgangspunt komt wel terug in de Richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing. Deze Richtlijn is een leidraad voor professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming om de situatie van een kind zorgvuldig te beoordelen en uithuisplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen.  Uit deze Richtlijn volgt dat het samenplaatsen van broers en zussen de voorkeur heeft, tenzij er sprake is van contra-indicaties.

Hoewel de wet geen expliciete bepaling kent over de samenplaatsing van broers en zussen, is in artikel 1:377a BW wel impliciet het recht op omgang tussen broers en zussen vastgelegd. Dit artikel bepaalt dat een kind recht op omgang met anderen met wie hij een nauwe persoonlijke betrekking heeft. De huidige wet laat beslissingen hierover in eerste instantie over aan de gecertificeerde instelling. Het onderhouden van contact met de broers en zussen van een kind bij een uithuisplaatsing is niet vanzelfsprekend. Het kind is hier in de eerste plaats afhankelijk van de gecertificeerde instelling.

Broers en zussen zijn als minderjarigen in beginsel procesonbekwaam. Wel kunnen zij via de informele rechtsingang van artikel 1:377g BW een beroep doen op artikel 1:377a BW. In het geval dat de gecertificeerde instelling geen, of te weinig omgang regelt met de broers en zussen van een kind, dan kunnen broers en zussen op informele wijze aan de rechter verzoeken om omgang mogelijk te maken.

Wetsvoorstel ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming

In 2019 is in de Tweede Kamer een motie ingediend waarin de regering is verzocht te onderzoeken hoe het reeds geldende uitgangspunt dat broers en zussen waar mogelijk samengeplaatst moeten worden, beter nageleefd kan worden.  Naar aanleiding van deze motie is in opdracht van het WODC een onderzoek naar gescheiden plaatsingen van broers en zussen uitgevoerd. Uit het WODC-onderzoek blijkt dat samenplaatsing niet vanzelfsprekend is en broers en zussen in 28 procent van de onderzochte gevallen niet samengeplaatst worden. In gezinnen met drie kinderen wordt 43 procent van de onderzochte gevallen niet samengeplaatst en bij vier of meer kinderen ligt dat op 77 procent. De reden voor de gescheiden plaatsing van broers en zussen is in de helft van de gevallen onbekend. Bij de andere helft van de gevallen ligt de reden enerzijds in het bestaan van praktische belemmeringen, zoals een tekort aan beschikbare plekken voor alle kinderen samen. Anderzijds ligt deze reden in het bestaan van contra-indicaties, zoals parentificatie, waarbij één van de kinderen de ouderrol op zich neemt. Andere contra-indicaties zijn bijvoorbeeld conflicten tussen broers- en zussen onderling, gedragsproblemen of een vermoeden van seksueel misbruik tussen de kinderen onderling.

Als reactie op het WODC-onderzoek is vervolgens een motie ingediend waarin de regering is verzocht om het uitgangspunt dat broers en zussen bij een uithuisplaatsing waar mogelijk samengeplaatst moeten worden, wettelijk te verankeren. Deze motie is door de Tweede Kamer aangenomen en de wettelijke verankering van het samenplaatsen van broers en zussen bij een uithuisplaatsing is als voorgestelde regeling opgenomen in de ‘Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming’, die eind 2024 ter consultatie is uitgebracht.

Het conceptwetsvoorstel beoogt de rechtsbescherming van ouders en kinderen die te maken krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel te verbeteren. Het conceptwetsvoorstel stelt voor om de wettelijke bepaling ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing ex artikel 1:262b BW te wijzigen, zodat het uitgangspunt dat broers en zussen bij een uithuisplaatsing samengeplaatst moeten worden, wettelijk verankerd wordt. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt als het samenplaatsen niet in het belang van een of meerdere kinderen is. Als dit voorstel wordt aangenomen, mogen praktische belemmeringen zoals een tekort aan pleeggezinnen dan ook niet in de weg staan aan het recht op samenplaatsing. Naar verwachting wordt het conceptwetsvoorstel na de zomer van 2026 ingediend bij de Tweede Kamer.

De Brouwer Advocaten Rotterdam

Heeft u na het lezen van deze blog vragen over uithuisplaatsingen of wilt u verweer voeren tegen een verzoek tot uithuisplaatsing? Onze jeugdrechtspecialisten staan u graag bij! U kunt onze advocaten in Rotterdam bereiken door te bellen naar 010 423 00 19 of door te mailen naar info@debrouweradvocaten.nl. Daarnaast kunt u het contactformulier op onze website invullen. Wij nemen dan zo spoedig mogelijk contact met u op.